![]() |
Identiteit & Imago | ||
Uitvoering |
|||
|
Bijlage II |
Stap 1: de expertsVia e-mail hebben we alle veertien Nederlandse universiteiten benaderd om mee te werken aan ons onderzoek. Voor zover mogelijk stuurden we dit bericht aan het hoofd voorlichting of aan iemand die bij de productie van de website betrokken is. We gebruikten de e-mailadressen zoals ze op de websites zelf te vinden zijn. In zes gevallen is daarop enkel een algemeen e-mailadres te vinden. In dat geval stuurden we het bericht aan dat algemene adres. Die websites zijn: Universiteit Nyenrode; Erasmus Universiteit; TU Delft; Wageningen Universiteit; Katholieke Universiteit Brabant en TU Eindhoven. Als we niet binnen een week een reactie ontvingen, stuurden we een herhalingsberichtje, waarin we opriepen alsnog te reageren. De vragenlijst was opgebouwd uit vragen over de volgende onderwerpen:
Om de antwoorden op vragen over de eerste vier onderwerpen niet te laten beïnvloeden door de vragen over het vijfde onderwerp, stuurden we de vragenlijst in tweeën; eerst de vragen over de eerste vier onderwerpen en vervolgens die over het laatste. De antwoorden op de vragenlijst plaatsten we in een tabel. Zo konden we overeenkomsten en verschillen tussen de meningen van de deelnemers aan dit deel van ons onderzoek gemakkelijk opsporen. Daar waar nodig zochten we in de literatuur hoe bepaalde kenmerken van een universiteit op een website gevisualiseerd zouden kunnen worden. Dit hadden we nodig voor beantwoording van onze tweede deelvraag, of die kenmerken ook op de websites te zien zijn. Stap 2: de websitesVoor de inhoudsanalyse maakten we gebruik van de geoperationaliseerde kenmerken van de universiteiten. We gingen na of die kenmerken op de websites zijn terug te vinden. Ook daar waar de 'experts' aangaven die kenmerken niet op de website te zien. Gaf een respondent bijvoorbeeld aan dat aandacht voor het persoonlijke een kenmerk van de universiteit is, dan gingen we op zoek naar elementen op de website die dat persoonlijke ondersteunen, bijvoorbeeld het vermelden van voornamen bij alle medewerkers, een welkomstwoord, een mogelijkheid tot contact of het gebruik van warme kleuren. Stap 3: de scholierenOm het onderzoek binnen haalbare grenzen te houden, maakten we voor onze vragenlijst met computerondersteuning een selectie uit scholieren van twee scholen uit het Gooi. We vroegen de schoolleiding ons tien leerlingen te leveren, die voldoen aan de hierboven genoemde kenmerken met betrekking tot studiekeuze, beheersing van Internet en studiewens. De school in Bussum, het Goois Lyceum, is een ICT voorhoede school. De school in Hilversum, Het Anton Ronald Holst college, is dat niet. Naar verwachting zal de voorhoede school meer aandacht besteden aan het gebruik van nieuwe technologieën. Het leek ons in eerste instantie interessant om te onderzoeken of dat gegeven tot verschillen tussen de beide leerlingpopulaties leidt. Pas toen we al vergaand contact met het Goois Lyceum hadden, bleek dat deze school intensiever met de UvA samenwerkt dan we dachten; scholieren uit 5 Vwo krijgen op school proefcolleges van universitaire docenten en ze hebben al een oriënterende kennismaking gehad met de universiteit. Daarom leek het ons in tweede instantie ook interessant om de scholen op dit punt met elkaar te vergelijken. Zo hebben we een groep die vrijwel onbevooroordeeld is (van het college in Hilversum) en een groep die al kennis gemaakt heeft met een universiteit (het lyceum in Bussum). De scholieren zijn twee aan twee uitgenodigd om aan het onderzoek mee te werken, zodat tijdens het onderzoek de verhouding scholier tot onderzoeker steeds 1:1 was. Op deze manier hadden we de armslag in te spelen op vragen tussendoor. Bovendien konden we zo verbaal commentaar van de scholieren op de websites opmerken en eventueel zelf commentaar geven waar de scholier moeite had met het vinden van de juiste link(s) naar een pagina binnen de website, waarop hij zijn antwoord moest baseren.
|
Stap 1: de experts |
|
|
|
|||